Pío Baroja

Pío Baroja

We mogen niet klagen. Na de lovende recensie van De Sagarra’s Knoflook en pekel, drie weken geleden in de Volkskrant, en de prikkelende citaten uit de twee in Nederland verschenen romans van De Sagarra in de column van Arjan Peters vorige week, gaf Maarten Steenmeijer vorige week zaterdag De boom der kennis van Baroja vier sterren in de boekenbijlage van de Volkskrant.

Baroja was bepaald geen catalanofiel. Catalanen in zijn werk zijn over het algemeen arrogant en gierig en spreken een nog idiosyncratischer Spaans dan Baroja zelf.

In 1924 werd Baroja geïnterviewd toen hij op bezoek was in Barcelona. De Catalanen, zegt hij, willen doen voorkomen dat Catalonië een eigen cultuur heeft, maar ‘ik heb de indruk dat Catalonië Spaanser is dan de rest van Spanje.’ Er bestaat helemaal geen Catalaanse cultuur: ‘Het toneel lijkt geschreven in Noorwegen, de verzen op de Boulevard Montmartre…; Er is van alles: Zweeds, Noors, Deens en zelfs Tartaars.’ Maar Catalaanse cultuur valt nergens te bekennen.

Josep Mª de Sagarra

Josep Mª de Sagarra

‘Sommigen zullen tegenwerpen,’ gaat Baroja verder, ‘dat ik niet over de Catalaanse cultuur kan oordelen, aangezien ik noch de taal spreek noch het land en zijn tradities ken. Dat is waar…’

In zijn column in La Publicitat reageert De Sagarra op Baroja’s uitspraken over Catalonië en de Catalaanse cultuur. Hij vindt dat hij er eigenlijk over zou moeten zwijgen, want alles wat Baroja in dit interview zegt, is ouwe koek: ‘Dat de heer Baroja gelooft dat wij die ons bekommeren om de kunst en de literatuur van ons land een stelletje stumpers zijn, en dat hij niet in Catalonië geïnteresseerd is en er niets van wil weten, valt te begrijpen. Arme man, wat kan hij eraan doen dat wij zijn weerzin op wekken? Iemand kan een groot schrijver zijn en een van die ongerechtvaardigde, instinctieve fobieën hebben die zo vals zijn als de pokken.’ Minder begrijpelijk, schrijft De Sagarra, is ‘dat een man die “niet kent” wil spreken over dat wat hij niet kent.’

De boom der kennisDe Sagarra geeft Baroja nog een paar vegen uit de pan, maar het intrigerendste aan deze column is wat er niet staat. Het heeft er alle schijn van dat De Sagarra in de rest van zijn column het thema verbreedt tot de gecompliceerde relatie tussen het Koninkrijk Spanje en Catalonië, want de laatste dertig regels zijn doorgehaald door de censuur van Primo de Rivera.

Hoe dan ook, de recente trubbels tussen het Koninkrijk Spanje en Catalonië komen niet uit de lucht vallen.

De Spaanse minister van Onderwijs Wert en zijn Catalaanse collega Irene Rigau

De Spaanse minister van Onderwijs Wert en zijn Catalaanse collega Irene Rigau

José Ignacio Wert, de Spaanse minister van Onderwijs, Cultuur en Sport heeft deze week een bom gelegd onder de immersió lingüística, het Catalaanse onderwijsmodel dat ervoor zorgt dat alle kinderen die in Catalonië opgroeien, op hun zestiende Spaans én Catalaans spreken.

Catalonië heeft twee officiële talen: het Catalaans en het Spaans. Iedereen die in de afgelopen 34 jaar een openbare Catalaanse school heeft doorlopen, spreekt correct Spaans en correct Catalaans (‘correct’ volgens de normen die daar heden ten dage voor gesteld kunnen worden, binnen en buiten Spanje). Dat lijkt mij een ideale situatie.

Stel je voor dat alle Belgen (Vlamingen en Walen) onder de veertig even goed Nederlands als Frans zouden spreken!

Maar voor minister Wert zijn principes belangrijker dan de praktijk. Hij vindt dat iedereen in Spanje recht heeft op onderwijs in het Spaans (met Spaans als voertaal dus).

Om zijn bedoelingen een beetje te maskeren, sprak hij niet over Spaans maar over ‘de moedertaal van het betreffende kind’. Dat was natuurlijk een slip of the tongue van de minister, want de kinderen die op dit moment in Barcelona naar school gaan, hebben 273 verschillende moedertalen. Ik neem aan dat Wert niet bedoelt dat kinderen in Spanje recht hebben op onderwijs in het Urdu of in het Arabisch. Hij bedoelde natuurlijk dat ieder kind in Spanje recht heeft op onderwijs met Spaans als voertaal.

Waarop baseert Wert dit principe? Op de grondwet. Daarin staat dat elke Spaanse burger de plicht heeft het Spaans te beheersen. In de autonome regio’s met een eigen taal (Catalonië, Valencia, de Balearen, Baskenland, Galicië) hebben de inwoners het recht om hun eigen taal te gebruiken. Maar wat stelt dat recht voor als een winkelbediende, een ambtenaar, een politieagent, een rechter, jouw taal niet verstaat?

Goed, minister Wert vindt dus dat iedereen die in Spanje woont het recht heeft om geen Catalaans, Baskisch of Galicisch te leren. Wat betekent dat in de praktijk? Dat niet langer alle kinderen naar dezelfde openbare school zullen gaan. Dat we het streven naar tweetaligheid opgeven en teruggaan naar de oude tweedeling tussen Spaanssprekenden en Catalaanssprekenden.

Waarom deze bom? Op de eerste plaats is dit natuurlijk een onverbloemde reactie op het onafhankelijkheidsstreven dat in de afgelopen maanden hoog is opgelaaid in Catalonië. Minister Wert heeft al eerder gezegd dat hij vindt dat de Catalaanse kinderen geïndoctrineerd worden door de nationalisten en dat het hoog tijd wordt om ze te verspaansen.

De tweede reden is het ongekende succes van de immersió lingüística. Als Catalonië op deze voet doorgaat, zal het Catalaans binnenkort een even grote rol spelen binnen Catalonië als het Spaans. En dat kan natuurlijk niet. Stel je voor!

Mas heeft kopzorgen

De allergrootste verliezers van de Calalaanse verkiezingen van gisteren zijn de opiniepeilers, die er volstrekt naast zaten met hun voorspellingen.

Verder zijn er vier conclusies te trekken uit de resultaten:

1. Het plannetje van Mas is falikant mislukt

CiU, de partij van Mas had vóór de verkiezingen 62 zetels. Hij schreef de verkiezingen uit in de hoop de absolute meerderheid te verkrijgen (68 zetels). Uiteindelijk heeft Mas maar liefst 12 zetels verloren. Zijn droom om als een hedendaagse Mozes het Catalaanse volk naar de Beloofde Staat in Europa te leiden, is in diggelen gevallen.

2. De verhouding tussen voor- en tegenstanders van zelfbeschikking is getalsmatig min of meer gelijk gebleven, maar inhoudelijk gepolariseerd 

Vóór de verkiezingen waren er 86 leden van het parlement voor zelfbeschikking. Nu zijn het er 87. De tegenstanders van zelfbeschikking hebben er 7 zetels bij gekregen. 64,44% van het nieuwe Catalaanse parlement is voor zelfbeschikking, 20,74% is tegen, en 14,81% is voor een referendum over zelfbeschikking, maar alleen als Madrid daarin toestemt (wat niet erg waarschijnlijk is).

ERC, een links-republikeinse partij en een radicale voorstander van onafhankelijkheid, is meer dan verdubbeld (van 10 naar 21 zetels). Ciutadans, een centrumlinkse partij die radicaal tegen onafhankelijkheid is, is verdriedubbeld van 3 naar 9 zetels. In de twee kampen, van de voorstanders en van de tegenstanders van onafhankelijkheid, hebben de radicale partijen duidelijk gewonnen.

3. Het Catalaanse parlement heeft een ruk naar links gemaakt

Afgezien van de centrumlinkse PSC (gelieerd aan de PSOE van ex-premier Zapatero), hebben alle linkse partijen gewonnen. ERC (links en voor onafhankelijkheid) stijgt van 10 naar 21, en ICV EUiA (groen-links en voor zelfbeschikking) stijgt van 10 naar 13. De CUP, een radicale ‘anti-systeempartij’, waarbij vergeleken de Nederlandse SP een gematigd clubje is, komt voor het eerst in het parlement met 3 zetels.

4. We krijgen Nederlandse toestanden in Catalonië

Mas heeft weliswaar flink verloren, maar zijn partij CiU is nog steeds veruit de grootste, met 50 zetels. Daarna komen er drie partijen die ongeveer even groot zijn: ERC 21, PSC 20 en PPC 19. Voor een meerderheid zijn 68 van de 135 zetels nodig. Mas kan dus in theorie kiezen uit drie partijen om een kabinet te formeren dat kan rekenen op een meerderheid. Er zijn twee grote thema’s: het recht op zelfbeschikking en de bestrijding van de crisis. CiU en de PP zijn het grosso modo eens over de crisisbestrijding, maar staan lijnrecht tegenover elkaar ten aanzien van zelfbeschikking. CiU en de PSC verschillen aanzienlijk in de crisisbestrijding en ook in hun standpunten ten aanzien van het zelfbeschikkingsrecht. CiU en ERC zijn het behoorlijk met elkaar eens over het zelfbeschikkingsrecht maar ERC is heel kritisch over de bezuinigingen die Mas in de afgelopen twee jaar met steun van de PP heeft doorgevoerd.

Ik voorspel dat Mas een minderheidskabinet zal formeren met gedoogsteun van ERC, de grootste ‘oppositiepartij’. Voor ERC is dit de voordeligste optie, want ze kunnen zo Mas dwingen voort te gaan op het pad naar zelfbeschikking, ze kunnen ‘leuke dingen voor linkse mensen’ afdwingen, terwijl ze niet opdraaien voor bezuinigingen waartoe Mas door Madrid en Brussel gedwongen wordt. Tegelijkertijd staat het ‘naar het buitenland toe’ goed als zowel de president als de leider van de oppositie een blok vormen inzake het zelfbeschikkingsrecht.

Ik ben ongelukkig!

C: Ik ben ongelukkig.

S: Je bent helemaal niet ongelukkig. Dat denk je maar.

C: (…)

S: En als je wel ongelukkig bent, is dat míjn schuld niet.

C: (…)

S: En als het wel mijn schuld is, dan heb je pech. Scheiden is wettelijk verboden.

C: (…)

S: En als je toch bij me wegloopt, maak ik je kapot. Ik zal zorgen dat al onze vrienden je laten vallen en dat je geen cent te makken hebt.

Hoe zal C reageren?

a) Wind je niet op, schat. Het was maar een grapje.

b) Goed, ik geef je nog één kans.

c) Krijg de….!

Morgen, zondag 25 november, verkiezingen in Catalonië.

De Nederlandse vertaling van All i salobre

In de boekenbijlage van de Volkskrant gaf recensent Maarten Steenmeijer afgelopen zaterdag het maximale aantal sterren aan de roman Knoflook en pekel van Josep Maria de Sagarra: ‘Een stijl waarin zintuiglijke en plastische uitbundigheid hand in hand gaan zonder ook maar een moment uit de bocht te vliegen (…) Een zinderend taalmonument.’

Josep Maria de Sagarra (1894-1961) was een magiër, een monster van de literatuur, en een vat vol tegenstrijdigheden. Alles aan hem was op schier aanstootgevende wijze dubbelop: bon vivant en noeste werker; vedette en erudiet; aristocraat en volksheld; heer en beest. Geen wonder dat het sommige tijdgenoten moeite kostte zijn werk naar waarde te schatten. Ook nu nog is het bijna niet te geloven dat iemand die het er zichtbaar goed van nam, actief deelnam aan het Barcelonese nachtleven, op literair gebied bijna alles kon en metterdaad deed, en dan ook nog eens op een constant hoog niveau. Als dichter maakte hij intimistische poëzie, chansons, goethiaanse balades, gezangen, politieke hekeldichten, lange narratieve gedichten… Hij schreef tientallen toneelstukken, die met veel succes werden opgevoerd, waarvan het merendeel in verzen en op rijm, van lichtvoetige komedies en cabaret tot heldendrama’s en tragedies. Hij was een productieve journalist, schreef imposante memoires, vertaalde onder andere Dante (La divina commedia), Shakespeare (bijna zijn gehele oeuvre!), Pirandello en Molière. Zijn verzamelde werk, dat op dit moment in de maak is, zal zo’n twintig kloeke delen beslaan. En in elk genre excelleerde hij.

Josep Maria de Sagarra

Des te opmerkelijker is het dat Sagarra slechts drie romans op zijn naam heeft staan. De verklaring is gedeeltelijk te vinden in de geschiedenis van de Catalaanse literatuur. In het eerste kwart van de twintigste eeuw gaf het noucentisme de toon aan, een neoclassicistische kunststroming die een broertje dood had aan de romankunst. Niet voor niets noemde de dichter Carles Riba de noucentisten una generació sense novel.la. Voor een deel was het ook een financiële kwestie. Sagarra leefde van de pen en zijn theaterstukken, waar het publiek en masse op afkwam, leverden meer op dan romans. En dan was er nog de kritiek, die regelrecht geschokt was door zijn twee laatste romans Knoflook en pekel, uit 1928, en Privéleven, dat vier jaar later verscheen.

In 2010 publiceerde Menken Kasander & Wigman Uitgevers de Nederlandse vertaling van Vida privada, onder de titel Privéleven. De roman werd zeer positief ontvangen door de literaire critici van de grote dagbladen. Zo schreef Maarten Steenmeijer in de Volkskrant:

“Zonder zich maar een moment te bezondigen aan overdaad of gekunsteldheid rijgt Sagarra het ene indringende beeld aan het andere […] Privéleven is een verpletterende tekst, een vulkanische uitbarsting van diepe verontwaardiging en hartstochtelijke ironie die zich met geen enkel ander werk uit Sagarra’s oeuvre laat vergelijken, binnen de Catalaanse literatuur op eenzame hoogte staat en een ereplaats in de wereldliteratuur verdient.”

De eerste roman van De Sagarra

Verscheidene lezers gaven aan benieuwd te zijn naar de overige romans van Sagarra. Gezien de enthousiaste ontvangst van deze Catalaanse schrijver lag het voor de hand om zijn andere romans ook uit te geven, te meer daar hij, zoals gezegd, slechts drie romans gepubliceerd heeft. Het verdient lof dat Menken Kasander & Wigman gehoor heeft willen geven aan de wens van vele Nederlandse lezers van Privéleven en heeft besloten tot het uitgeven van Knoflook en pekel, dat in 2013 gevolgd zal worden door Sagarra’s eersteling, Paulina Buxareu.

De twee laatste romans van De Sagarra verwekten een groot schandaal, maar Knoflook en pekel werd als nog schokkender ervaren dan Privéleven. Dat de aristocratie in de loop van de tijd van binnen was gaan rotten, kwam voor de meeste mensen niet als een verrassing, maar dat de volksziel ook niet bijster fris rook, daar wilden de meeste intellectuelen niet aan. En niet alleen de intellectuelen. Toen Sagarra, die een bekende verschijning was als gevierd toneelschrijver, kort na de publicatie van Knoflook en pekel een bezoek bracht aan Port de la Selva,  dat model stond voor het vissersdorp in Knoflook en pekel, werd hij door een stel vissers met driedelig pak en al in de zee gegooid.

Vliegvelden in Spanje

Eergisteren publiceerde Trouw een column van de hand van Rob de Wijk, met de titel ‘Solidariteit werkt bij economische groei, maar sneuvelt bij crisis’. Hij stelt daarin dat de crisistijd mensen egoïstisch maakt, in Nederland, maar ook in het buitenland:

“Afbraak van solidariteit is ook in de internationale politiek zichtbaar. België, het Verenigd Koninkrijk en Spanje staan daardoor op springen. Regio’s storen zich aan het feit dat zij het beter doen en daarom veel geld moeten afdragen aan de armlastigen binnen het land. In tijden van economische groei is dat geen probleem. Er is voldoende geld voor een transfer van rijk naar arm, maar op het moment dat rijk zelf het gevoel krijgt arm te kunnen worden, is het uit met de solidariteit en blazen Vlaanderen, Schotland en Catalonië uit eigenbelang zo nodig het hele staatsverband op.”

Inderdaad, als het ze voor de wind gaat, accepteren mensen gemakkelijker dat ze ‘geld moeten afdragen aan de armslastigen’ dan als ze zelf krap bij kas zitten. Dat is nogal logisch. Dat is het kwantitatieve aspect van solidariteit. Maar in tijden van crisis kijkt men ook anders aan tegen het kwalitatieve aspect van solidariteit.

Als iemand niet weet hoe hij zijn geld op moet krijgen, vindt hij het waarschijnlijk niet zo’n probleem als een arme sloeber een fles sterke drank koopt van het geld dat hij hem weet af te troggelen. Maar als hijzelf zich amper een borrel kan veroorloven, is het normaal dat hij liever heeft dat de armlastige medemens een voedzame maaltijd koopt van zijn aalmoes.

Dat er in Spanje feestgevierd wordt met het geld uit Noord-Europa is natuurlijk een mythe, en ik vind het werkelijk stuitend en ongelofelijk dat er nog Nederlanders zijn die dat fabeltje voor zoete koek slikken. Mijn Spaanse vrienden werken gemiddeld harder dan mijn Nederlandse vrienden, en het is niet de schuld van de gewone hardwerkende Spanjaard dat de productiviteit van zijn land lager ligt dan die van Nederland, maar van falend management, een andere bedrijfscultuur, incompetente politici, etc.

Dat betekent echter niet dat het geld uit ‘Europa’ altijd verstandig is uitgegeven. Mede dankzij ‘Europa’ heeft Spanje nu meer vliegvelden dan Duitsland, waarvan er een flink aantal niet of nauwelijks actief zijn. Ik vind het volkomen terecht dat de rijkere landen eisen dat het geld dat wordt overgeheveld naar armere landen gebruikt wordt voor investeringen die er uiteindelijk toe moeten leiden dat de armere landen zelf hun boontjes kunnen doppen. De baten die voortvloeien uit solidariteit moeten worden geïnvesteerd en niet geconsumeerd.

Het is waar dat veel Catalanen boos zijn ‘omdat er te veel belasting aan Madrid zou worden afgestaan, zonder dat men daarvoor veel terugkrijgt,’ zoals Rob de Wijk schrijft in een iets oudere column, met alweer zo’n catchy titel: ‘Separatisten spelen handig in op onvrede in Europese landen’. Maar het zeer zit dieper, volgens mij. Dit zijn een paar ‘pijnpunten’:

  • Ik ben geen econoom, dus ik kan het niet checken, maar volgens menig deskundige wordt er jaarlijks 8 à 9 procent van het Catalaanse bnp overgeheveld naar de rest van Spanje, en dat is toch geen kattenpis. Desondanks staan Catalanen in Spanje bekend als onsolidaire krentenkakkers.
  • De centrale regering maakt goede sier met de investeringen in armere regio’s, alsof het geld uit haar eigen zak komt. Ze ontkent domweg dat er geld wordt overgeheveld van de rijkere naar de armere regio’s, met het argument dat het niet de regio’s zijn die belasting betalen maar de Spaanse burgers.
  • Om stemmen te winnen, hebben de twee grote landelijke partijen de neiging cadeautjes uit te delen aan de regio’s waarin ze sterk vertegenwoordigd zijn: snelwegen, hogesnelheidstreinen, vliegvelden, etc. Maar dit soort investeringen leveren niets op als ze niet gepaard gaan met economische bedrijvigheid, en daarin wordt nu juist niet of nauwelijks geïnvesteerd. Als de baten van de Catalaanse solidariteit zouden worden aangewend om de economie van de armere regio’s te versterken, dan zou Catalonië er uiteindelijk ook beter van worden, en dat zou het draagvlak onder de solidariteit verbreden. Omgekeerd is het natuurlijk ook zo dat investeringen die erop gericht zijn de Catalaanse economie te versterken, uiteindelijk ook ten goede komen aan de rest van Spanje. Dit laatste lijkt de centrale regering in Madrid nogal eens te vergeten.
  • Tot slot. De binnenlandse solidariteit heeft geen ‘tijdspad’, zoals we dat kennen van de Europese cohesie- en structuurfondsen. Er wordt niet tegen de economisch zwakkere regio’s gezegd: jullie krijgen tijdelijk extra geld. Dat geld is bedoeld om jullie economisch sterker te maken. Investeer het daarom zo dat je het binnen afzienbare tijd niet meer nodig hebt.
Afbeelding

Artur Mas en Mariano Rajoy tijdens hun ontmoeting in Madrid

Stel je voor. Brussel komt morgen met een plan. Vanaf nu gaan alle inkomsten uit belasting eerst naar Brussel. Vervolgens gaan de ambtenaren in Brussel kijken hoe het geld het best verdeeld kan worden over de lidstaten van de Europese Unie.

Nederland zou een dergelijk plan natuurlijk nooit accepteren. En terecht. Het zou een gigantische machtsverschuiving van de lidstaten naar Brussel beteken, en daar bestaat geen draagvlak voor. Maar wat misschien nog belangrijker is, zo’n plan zou heel inefficiënt zijn. Het huidige systeem is veel logischer: de lidstaten heffen zelf belasting, betalen hun eigen uitgaven daarvan, en dragen een (klein) deel van hun inkomsten uit belasting af aan Brussel, ten behoeve van herverdeling en financiering van de Unie.

Spanje is in feite een soort Europese Unie in het klein. De autonome regio’s zorgen zelf voor de belangrijkste publieke diensten, zoals onderwijs en gezondheidszorg. Maar deze diensten worden niet rechtstreeks gefinancierd uit de belastingen die in de regio’s geïnd worden. De belastingen gaan eerst naar Madrid. Daar verdwijnen ze in een grote pot, die vervolgens wordt verdeeld over de regio’s.

Artur Mas, de president van Catalonië, heeft een paar maanden geleden voorgesteld aan Rajoy, de minister president van Spanje, om het ‘Brusselse systeem’ in te voeren in Spanje. Hij stelde een ‘fiscaal pact’ voor waarbij Catalonië zelf belasting zou heffen, zijn eigen uitgaven zou betalen, en een deel aan Madrid zou afdragen, waarvan de centrale regering zichzelf, de koning, het leger, de ambassades, enzovoorts zou betalen. De rest zou in een potje gestopt worden om economisch zwakkere regio’s mee te stimuleren.

Natuurlijk is dit geen aantrekkelijk plan voor Madrid, want het zou een gigantische machtsverschuiving betekenen van de centrale regering naar de autonome regio’s. Maar misschien zal het uiteindelijk de beste oplossing blijken te zijn voor Spanje. Om twee redenen.

  1. Als Spanje het ‘Brusselse systeem’ zou invoeren, zou er hoogstwaarschijnlijk geen meerderheid zijn voor een onafhankelijk Catalonië.
  2. Het systeem is efficiënter en dus, zeker op de lange termijn, goedkoper.

Maar er zijn ook twee belangrijke redenen om de invoering van zo’n systeem zo lang mogelijk tegen te houden:

  1. De grote pot geld die Madrid mag verdelen, geeft de centrale regering veel macht. En de twee grote Spaanse partijen hebben niet veel zin om die macht op te geven.
  2. De economie van Madrid drijft op deze macht. Wat blijft er van Madrid over als het ‘Brusselse systeem’ wordt ingevoerd?

Vandaag wordt er gestaakt in Kataloenja. Daarom een filmpje.

Na de dood van Franco werd er in Spanje gekozen voor een systeem van autonome regio’s, vooral om tegemoet te komen aan de politieke aspiraties van Catalonië en het Baskenland.

Het zou voor de hand hebben gelegen om aan de hoofdstad van zo’n gedecentraliseerd land een bescheiden rol toe te kennen. Een soort Bonn, zeg maar.

Maar het systeem van de autonome regio’s was voor rechtse politici van het type Aznar een concessie waarmee ze knarsetandend instemden. In plaats vanMadrid te downgraden tot een soort Bonn, besloot men daarom Madrid te upgraden tot een soort Parijs, om tegenspel te bieden aan de autonome regio’s.

Veel van de huidige problemen in Spanje zijn terug te voeren op dit explosieve mengsel van een quasi federaal systeem en een hoofdstad met centralistische kapsones.

Het evenwicht tussen de centrale regering en de autonome regio’s is een strak gespannen touw. Aan de ene kant staat een uit de kluiten gewassen macho te trekken, en aan de andere kant zeventien stoere dwergen.

De enorme energie die in dit touwtrekken wordt geïnvesteerd, gaat ten koste van de productieve economie.

Eén van de argumenten die vanuit Madrid worden aangevoerd tegen een onafhankelijk Catalonië is dat deze nieuwe staat buiten Europa zou vallen.

Nou, dat weet ik nog zo net niet, zei Viviane Reding, vicevoorzitter van de Europese Commissie en commisaris voor justitie en burgerrechten, in eerte instantie. Voor zover zij wist, stond dat nergens geschreven.

Ook de Spanjaard Joaquín Almunia, Europees commissaris voor mededinging, zei enige weken geleden dat het ingewikkelder lag, aangezien de Catalanen op dit moment natuurlijk wel Europese burgers zijn.

Zowel Reding als Almunia hebben inmiddels hun woorden gerectificeerd, na diplomatieke pressie van Spanje.

Het is niet zo verwonderlijk dat Madrid druk uitoefent op Brussel, want een aanzienlijk deel van de Catalanen die nu aangeven voor onafhankelijkheid te zullen stemmen bij een eventueel referendum, verklaren tegen te zullen stemmen als een onafhankelijk Catalonië buiten de Europese Unie zou vallen.

Of er een reële kans is dat Catalonië onafhankelijk wordt, daar valt over te twisten, maar een onafhankelijk Catalonië buiten de Europese Unie lijkt me nog veel onwaarschijnlijker.

Moeten de Nederlandse families op vakantie naar de Costa Brava weer hun paspoort laten zien bij de grensovergang La Jonquera?

Zal Volkswagen toestaan dat er invoerrechten moeten worden betaald voor de Seats die in Barcelona gemaakt worden?

Moet Spanje in- en uitvoerrechten betalen voor producten uit bijvoorbeeld Valencia die via Catalonië naar de rest van Europa worden getransporteerd? Of moeten de vrachtwagens uit Valencia om Catalonië heen rijden?

Maar de belangrijkste reden dat zowel Brussel als Madrid er alles aan gelegen is om een onafhankelijk Catalonië binnen boord te houden, is de snel oplopende schuld van Spanje. Het is nu al heel moeilijk voor Spanje om deze schuld af te lossen, maar zonder Catalonië is dat totaal onmogelijk. En waarom zou Catalonië Spanje helpen deze schuld af te betalen als Catalonië door toedoen van Spanje uit de Europese Unie wordt geknikkerd?